Gearchiveerd onder: poëzie
Voor alle Marilyns van Andy Warhol
Keer op keer ben je gedrukt achter het raster
met je pigmentpixels uit een schoonheidstube
en je door de hairbrush geklitte stroken,
met fineliner langs je poppenoogleden
en een markerstip voor je moedervlek.
Veelvuldig heb je willen wegvloeien. Je lippen
stal je uit een blik tomatensoep.
Beken me! Was het Campbell of Heinz?
Om de print wijzigde je van modieuze vermomming,
wisselde je van Elvive lak, omdat je het zo waard was.
Vreesde je net als ik te hangen en bleef daarom
uiteindelijk je uitdrukking dezelfde, een plaatje?
Los gepind van elke plastische moraal
werd je geboren aan de lopende band
door machinale reproductie in the Factory
uit de baarmoeder van de popindustrie.
Je vermenigvuldigde tot verzadiging,
tot je gezicht azuurblauw werd gestempeld,
tot paarse spikkels gouache drukten door het doek,
tot je grijpen moest naar een andere verslaving
(appelgroene acryl, citroengele amfetamines…),
tot je leven voor eeuwig bleef kleven in litho en lithium.
Al ben je postuum gestold binnen lijstjes,
je geeft nog steeds af. Ook ik
draag soms een pruik, een museaal masker
met verve voor dat vluchtig Warholiaans kwartiertje.
Gearchiveerd onder: toneel
Hé mokkeltje! Zin in een hassebassie, voor jij je eigen van binnen bekijkt en lang uit gaat op je vlooienbunker? Zolang ik in de hens voor je sta, sluit ik de luiken nog lang niet, hoor! En ik heb wel zeker een cent te makke om jou een bescheiden witte wapper of een jajem of allebei, wat je maar wilt, aan te bieden.
Kijk je naar je oks? Heb je geen zin dan in een pikketanissie?
Wat? Moet ik de pleuris krijgen? Wacht toch eventjes! Ik ben geen gribus. Misschien een klojo, maar wat dan nog? Iedereen lust toch een keiltje op zijn tijd? Maak je toch niet zo sappel. Draai anders even een saffie, als dat helpt. Ik zal je niet meer afpeigeren, want het laatste wat ik wil is dat je denkt dat ik een rauwdouwer ben.
Zeg je nou dat ik de kolere moet krijgen? Ik mats je maar één keer. Snol! Het is dat je een lekker duivenplatje hebt, want anders had ik je een hengst verkocht of in elkaar gerost.
Genoeg kwats nu! Laten we het volgende konkelefoezen. Moet je wel voor een minuutje je best doen mij te pruimen. Kan je dat, stoot die je bent? Voor de kat zijn kut krijg je een mooi verhaaltje voor het plat gaan. Vind je dat wat? Wat meier je? Kruip ik in je kont? Noem me een bruinwerker als je wilt, maar een weigoochem ben ik niet! Want als ik ergens sjoege van moet hebben dan zijn het wel verhalen voor het maffen. Ik kan niet zo veel, maar dat wel. Mag je me daarna, als je nog over de rooie blijkt te zijn gegaan, mij een oprotpremietje geven.
Om van bil te gaan? Ben je helemaal van de malle? Je hoeft geen zeven kleuren stront te schijten. Ik zeg een verhaal. Dat is geen puin. Denk je nou echt dat ik je een haarlemmerdijkie geef?
Zonder dollen even. Als je nog steeds denkt dat ik jou in de zeik neem, dan kan ik je geruststellen. Ik ben een Friese staartklok, die straks gewoonweg weer met de benenwagen op pleurt.
Slingerend? Heb nou nog geen kachel, hoor! Maar als ik straks wel een stuk in mijn kraag heb, dan stap ik de spijkerbak echt niet in hoor! Zo kosjer ben ik dan wel weer.
Versieren nog wel? Je kunt me de kont kussen, maar een kalletje voor de lol gaat er bij mij niet op. Ik steek mijn rammelaar niet zo maar ergens in. Of om me een beetje in jou in te leven, als ik moot was, zou ik een put van een paal hebben. Ben ook maar van het houtje. Zo recht voor zijn raap, geloof je me dan?
Lust je een warme negerinnenmelk? Ook goed. Als we allebei maar niet in ons uppie blijven.
Luister. Vele verhalen slaan als kut op dirk, maar deze is zeker niet achenebbisj. Ben je benieuwd? Zwijn je even! Het gaat over een pief, die niet voor een goudvinkje geboren leek te zijn.
Zie je wel, ik wist wel dat je om zou buigen! Die heikneuter had natuurlijk te veel seriebel meegemaakt om ergens nog mee in de mik te zitten. Hij had veel sores aan zijn kanes, de hele mikmak, maar ik zal er niet over kutkammen. Doet hij zelf ook niet meer. Voor de zoveelste maal wist hij zich met de kloten voor het blok te brengen. Dat krijg je natuurlijk, als je van olms af en aan een oetlul bent. Hij had zijn tofste kloffie aangetrokken en zou op dat feestje verschijnen, want voor geen goud wilde hij het duffe konijn zijn. Dus daar kwam hij die hompetent binnen. Hij dacht nog ‘wat een jeiling moet het daar binnen wel wezen!’ Maar het was dus een ontiegelijke raggeling! Wat dus? Niks reuring. Zaten daar in het holst van de nacht een scheet en drie knikkers. Om precies te zijn twee leuningbijters. Een beetje hun zweet met oplosmelk te leuten zonder over iets maar te bakkeleien. En hij maar denken, dat hij zijn bloedgabbers of zijn hele misjpoge zou treffen of minstens gescheurd goed met een smakelijke snoeptafel, om na een afzakkertje nog een hitsig nummertje mee te doen in de meurbaal. Niddish! En een schone pokkezooi was het daar! Echt een verschutting! Dat Spaans ameublement! Om te planjeren! Plastic tuinstoelen, twee verkleurde slingers aan de muur. Echt geen porem! Maar spatjes had het in ieder geval niet. Nou geloof me, dan wil je wel een nat zeil halen om die mottige spiese uit je kapsones te hozen. De rollade biggenvlees lag waarschijnlijk al maanden te versjteren in die oven, want het meurde naar spuitpoep en als het nog te bikken was geweest, dan zou het naar schoenzool hebben gesmaakt. De dahlia in volle bloei, dus! En het ergste, was niet die bonbondoos op de toog, noch die verwelkte bloemen in een uilezeik. Nee, het ergste was, dat die arme snikkel jarig was en dat niemand van plan was zijn treiter voor hem om te draaien. Er lag wel wat verscheurd pakpapier in de hoek onder de moppentrommel, maar de felicitaties vangen zat er niet in. Hij was voor noppes gekomen. Want als het al een feest was, dan was het wel het hengstenbal, waar geen lul in zijn bangmakertje zou durven staan. Die twee kaaljakkers die er zaten, die zijn natuurlijk altijd al van de ratten besnuffeld geweest. Beetje de linke loetjes uithangen met hun fokken op hun gokken, maar ware miezerige flapdrollen waren het. Meer nog! Mokums tuig van de richel! Noord-Hollands schorriemorrie! En waren ze nog maar aan het knobbelen of aan het bamzaaien. Niddish. Ze waren elkaars veters aan het strikken. Dat is geen gebbetje! Waren ze heel aandachtig samen aan het begaffelen hoe dat moest. Daar hadden ze een lijntje, zou je denken. Twee lussen. De ene lus om de andere lus en strak trekken maar. Makkie, toch? Maar eeuwen duurde dat en uiteindelijk schopten ze die zolen nog uit ook. Rook het nog uren in de wind naar vergane vis. Nee, niet naar een snollenpoes! Vergane vis! Zonder dollen! Elke normale zak zou in deze situatie door het behang gaan, maar die lijpe sjlemielen waren takke verknipt. Zaten ze bij gebrek aan beter met hun fikken aan elkaar, alsof het hier een nichtenkit was.
Hier? Ik bedoel daar. En onze beste goser, die stond daar op een dooie. Schijnbaar. Want hij zal wel hebben staan bedenken, hoe hij op kon lazeren zonder te veel geroezemoes. Nou dan toch maar een beetje kanen om de verveling door te staan. Geen bikkesement gelukkig, maar wokkels. Stond hij wat wokkels in de broodmolen te dauwen. Knagen. Smakken.
Ken je dat, wokkels? Lust je trouwens nog een koetsiertje of zo? Dan niet. Luister je nog wel? Is toch een jofel verhaal of niet? Ondertussen was alles kits met die twee poten. Zei de een tegen de ander, dat hij zijn broer een hand ging geven. Onze beste goser wilde er nog steeds niets mee te schaften hebben en dacht nog een opstekertje te hebben met het nokken van die ene. Want zich de pis lauw laten maken, daar liet hij zich echt niet voor rukken! Ging die schorem dus even naar het vlees kijken, sprong die andere piegem op, alsof hij al op drie benen stond. En jottem! Er achter aan ging die eikel, alsof hij de beer acuut en eens flink moest uitlaten. Dat doe je toch in je uppie, of niet? Nou, ik weet het wel wat ze in dat sanitaire hok aan het uitvogelen waren. Een regelrecht peeskamertje inrichten! Kat in ’t bakkie.
Niet? Echt wel, dat dat helemaal gescheten zat. Broek uit en laden die palen! Zat niets anders op dan de kluit te belazeren, want een beetje de klepzeiker uithangen, over hoe luidruchtig dat pompen er aan toe ging, zou hem nog de koddebeier van de avond maken. Lou loene! Op zijn tokes blijven zitten, dat zou kut met peren zijn. Dus om die lapzwansen op hun lazer te geven, ging hij voor de meker. Miesgassers moet je natuurlijk moeren. Het leek aanvankelijk nog of hij een scheet op een plankje wilde spijkeren, maar lang tandhakken deed hij niet. Hij waggelde al naar de moppenkast toe om de rammelaartjes te reetsemen. De linkmiegel had het van zijn roodkopere. Beetje poen strietsen. En toen… Toen trok hij aan z’n stutten. Misschien was het ook maar een hoop op een klein schoteltje, maar hij had uiteindelijk zo toch nog een grijpstuiver aan zijn avond verdiend en zich een habbekrats van een verjaardagspresentje kunnen bekostigen later in die week. Toch niet voor noppes gekomen.
Wel voor noppes? Zeg je nou dat mijn verhaal naatje met de pet is? Dat zal je dun door de broek lopen, bekakt groentje! Ik vernachel je niet. Nee, en de vracht heb ik ook niet! Ik ben geen graftak. En als je een beetje gaat lopen zeggen van wel, kan je de vellen krijgen! Ach, je bent toch maar een benepakhuis met een blotebillengezicht! Net een oude barrel! Ik zou geen poen besollemen om met je te bedvogelen. Heb je straks nog een buik met benen ook! Mooi niet dus. Ik ben geen flikker, die de kinderwagen wil duwen.
Je hebt hem dik? Bel de kit maar, als je me in de bajes wil krijgen! Je knijpt hem toch. Ik geef je een optater recht op je harses, als je door blijft miepen. Nee, dat is waterverf. Ik duw je snaaiem op de stoeprand! Mag je bij de kiezenboer planjeren!
Je kunt me de zak opblazen, is dat wat je zegt? Wil je een tuin op je buik? Sodemieter maar lekker op inderdaad! Met je kakement naar de kattekroeg! Tot in de pruimentijd!
Chef! Doe maar één van het huis! Uit mijn eigen poeplap. Niets is me jouker genoeg!
Geen mafketel in de zaak te bekennen meer? Ach, doe ik toch jofel met mijn eigen. Zit hier echt geen dingetje bij de thee ergens verstopt? Al tof, al tof. In mijn uppie dan maar…
Heb ik nou echt de boerenkool geslepen met die temeier, Chef? Chef? Ik taai wel af. Doe dan maar een slobber. Moet nog hard pezen en peigeren vannacht. In mijn uppie nog wel!
Gearchiveerd onder: performance
Later als ik groot was, zou ik niet meer denken aan vroeger wanneer ik klein ben. Ik wil geloven dat er daar geen verschil is tussen later en vroeger. Omdat er dan ook geen verschil zou zijn tussen klein en groot. Daar is alleen voorlopig niet binnen handbereik. En voorlopig is hier een eeuwigheid. En aan eeuwigheid in brede zin valt niet te ontsnappen. En van eeuwigheid in enge zin krijg ik in dit hok kippenvel. Op de stokken, op de stangen, overal. Tot hier waar ik ben gekomen. Tot hier waar ik nog kan komen. Tot hier waar ik nooit zal komen. Tot hier en verder en verder en verder. Op dit honk bereik ik micromijlpalen, als ik het wil blijven geloven. Want om te geloven hoef je niet te zien. Maar ik wil niet geloven. Ik wil zien. Als niet met ogen, dan wel met handen. Ik raak vast. Ik raak vast! Zou dit een val zijn? Was dit een landing? Is dit dan het parterre? Ben ik nu dan een ménage alleen of een ménage à meer. Hoor ik stemmen zonder monden? Is dit de drie-eenheid waar over ooit werd gesproken? De driehoek met rechte zijden? De hoeksteen van? Maar ik daalde hier alleen neer. Met een parachuutje, met een trommeltje, met wat kruimels brood. Ik zal hier nooit vandaan vertrekken met een ballon. Niet omdat er geen ballonnen zijn of omdat er hier nooit feest is. Want er is hier altijd licht. En ik heb al mijn bestek paraat. Voor het uitdelen. Maar omdat ik daar niet genoeg lucht voor heb. Of eerder omdat ik niet genoeg aan mezelf heb. Voor al die lucht. Juist omdat hier meer lucht is voor iemand als ik, dan voor iemand als daar. Want ook al wil ik geloven dat er daar geen verschil is tussen later en vroeger. Omdat er dan ook geen verschil zou zijn tussen klein en groot. Denk ik toch dat ze daar heel groot zijn. Niet omdat ze per definitie daar heel groot zouden moeten zijn. Maar omdat het daar toch waarschijnlijk groter zou moeten zijn dan hier. Hier raakt het op. Aan middelen. Aan mogelijkheden. Aan motivaties. Aan moeders. Aan mannen. Aan woorden beginnend met een ‘m’. Hoewel het daar ook wel op zal raken. Al duurt het daar dan langer. Langer dan hier. Is het hier in korter bestek even goed. Even goed het geval. Even goed als waar ook. Even goed wat een vertrekkende vlucht was. Even goed wat zou zijn begraven alsof. Alsof ik daar geboren zou zijn in een toekomst. Vroeger als ik klein ben, zal ik niet meer denken aan later toen ik groot was. En ik kan blijven cirkelen om de waarheid, maar een kruis zal ik nooit tekenen.
Gearchiveerd onder: poëzie
Op een schoolplein zonder toezicht
had Kubrick het bij het rechte eind:
Knikkers zijn onthoofde bejaarden.
Daar valt niet mee te sollen,
hoogstens mee te kaatsen een enkele keer,
tot een donker hol zich zelf uitgraaft
voor de horizon, die het hek heet.
Gearchiveerd onder: proza
De gelukzaligste ervaring elders te zijn, is het moment waarop alle gedachten en indrukken versmelten tot een grote klomp. Meestal en vooral in het moment van transitie zelf. Eén been daar en het andere been in een andere daar.
Ik keek recht de zon in, dezelfde als gisteren, dezelfde als overal, maar werd ditmaal gekitteld ergens in mijn brein. Miljoenen gaatjes leken in mijn schedel geperforeerd te zijn, tot het besef van helderheid en perfectie voorbarig vervluchtte als door een vergiet gespoeld. Ik was verlicht voor ‘efkes’.
Ik keek naar het blauw. Niet van de zee, want die was donkergroen en grijszilver en ook een beetje geelrood, afhangend van het verstrijken van de tijd of het schommelen er van tussen ver en terug bij af, zoals een zandloper nooit op zijn kop kan staan óf juist voortdurend op zijn kop staat en om en om zichzelf vol laat lopen, zoals ik zelf van tijd tot tijd verzand in gulzig hunkeren naar geluk. Tussen eb en vloed was ik aangespoeld schoon gestreken op een door de wind glad gescrubde Vlaamse kustlijn.
Het schuimde wit bij de golvenbrekers. En wit was ook de strook in de verte die van het strand een sneeuwtafereel leek te maken. De teenafdrukken in het zand konden voor yetisporen door gaan. Waren het mijn tenen geweest, had ik er meer dan tien moeten hebben om een pokdalig reliëf te verkrijgen gelijk aan de vakjes van een warme wafel, zoals ze die serveren bij de tearoom tegenover hotel Albert II. Met mijn vingertoppen depte ik donkerbruine bastaardsuikerkorrels op van mijn strandlaken. Heel minutieus en met een geduld alsof alles er van af hing of met een naïeve wens deze arbeid uit te rekken, zodanig dat het nut zou krijgen.
Gelukzaligheid hoe kortstondig ook, heeft geen nut, want het kent geen vaste ruimte of plek, waar het zich in kan nestelen. Het is gepredestineerd geen thuis te vinden. Het is een nooit stoppende reis en tegelijk is het een magische som van meer dan de verzamelde delen, een synergie van al het tastbare, aanwijsbare, fotografeerbare, al wat op een kaart met een legenda verhelderd wordt, wat als traject na te lopen is, opnieuw en opnieuw, waar zelfs naar terug geïnformeerd kan worden bij een toeristenbureau. Het is een uitkomst die ontglipt en naderhand, een mathematische mythe die hoofdbrekens niet meer waard is. Het is met zekerheid proberen, het twijfelachtige niet te vergeten en later het onvermogen er toe te raken, te accepteren.
Mijn blote voeten wezen naar Engeland en mijn hoofd rustte in het zand op zijn kruin richting het binnenland. Ik keek naar het blauw van de lucht. Het keek terug. Niet in het bijzonder naar mij, eerder naar zijn eigen reflectie in mijn donkere zonnebrilglazen, zoals ik naar mezelf had gekeken in de ruit van de trein en de tram, scherend als een reuzenspook over een landschap van groene velden, grote hooiwielen, duinen, haltes van badplaatsen eindigend op -kerk en rijen witte strandcabines met namen die ook aan paarden of honden gegeven hadden kunnen worden, zonder een spoor van afkomst of bestemming achter te laten. Prettig ingeklemd, bevond ik me in een voertuig, dat zich over twee bij beide horizonnen naderende spoorlijnen bewoog, van badstof was en vierkant op het strand gespreid lag.
Op de gevel van een pakhuis stond: ‘Vooruit’, maar ik werd gewiegd. Ik draaide me om, op mijn buik en groef mijn aangebrand gezicht in mijn strandlaken, om te wortelen of te meanderen in mijn eigen gelukstranen. Ik had getwijfeld en nu pas wist ik het. Achter de trappengevel van café ’t Galgenhuisje verscholen zich containers waarop met verf ‘China shipping’ of ‘Evergreen’ gestempeld was. Het, wat het ook was, was vertrokken voor ik zelf weer daar vandaan terug was. Ik kreeg uiteindelijk de groetjes, die ik per post naar mezelf gestuurd had.
Gearchiveerd onder: poëzie
Papa respire dans un scaphandre
C’est eux qui me l’ont dit
Papa est parti trop vite
Pour la lune, la où il vit
Je ne le reconnais pas de face (ni de profil d’ailleurs)
Je tire ma ligne, leurs conclusions
C’est lui qui pêche les poissons
Un dimanche matin sur la terre
Maman m’offre un croissant
Je dis non
La confiture se trouve dans mon placard
Je n’ai pas de maison
Gearchiveerd onder: poëzie
(aan oude mensen van plus minus 25 jaar)
De dingen die nabij staan
De dingen die komen aanwaaien
De dingen die niet sneller kunnen
dan gaan
De dingen voor het kiezen
De dingen voor het kraken
De dingen die zij weg maaien
voor eigen voeten
Van jonge mensen, de dingen die
mee tellen, ongewenst
Breuken ter vermenigvuldiging
Vervlogen, verschoten, verknipt
Ontworteld misschien
De dingen die de uitkomst vormen:
25% knikkende knieën, over een heel corpus gezien
Met een hoop nimmer te zullen moeten
knielen
op een bed of te stuiten
op welk ander meubelstuk
dan ook
Vazen kopen vóór de bloemen
Lakens strijken vóór het bleken
Jonge mensen krabben korsten
Oude mensen verschonen de luiers
Gearchiveerd onder: poëzie
Je geest is nu opgeklaard, zo vroom bekeert
Hun zon zal door breken, zo jij beweerde
Je wees met stok, jij manke herder
Je hebt de wolken op gehoest, nu weggedreven
Je lokken wuifden mee, geen kruin weerbarstig
Jij voorzag een kamstrijken
Jij voorspelde een glad scheiden
Jij smulde voorbarig een split in coupe
Een Slag bij Rooms
Iets onheilspellend, iets ongegrond
Jij vreesde vee ‘opstierend’ uit het Oosten
Dat ze ons zouden ‘boerkafkleden’
Jouw schapenvacht zouden scheren
Naakt opgebaard
Blijven je tanden wolfsgeslepen
Schoon gebunkerd zo in een koffer
Misschien reis je er heilig lustig naar
Je bent gaan geloven
Geloof je het zelf
Dat je kunt patsen met je geklets?
Al het gedane goede, de polderweelderigheid, het koeienschoon
Met je klederdrachtmouw weggeveegd
Met je tractorpraat omgeploegd
Zo Hollands, gezel jij niet
Je bent meer gaan betekenen
Dan de verzen die je ‘bazooka’at’
Holle kassen
Strak geborduurde monden
Ik wil je open dichten
Kraaihaan, hijskraan, zwenkhendel
Je ettert prut
En denken dat we een nieuwe Elvis in je zien!
En je Fitness video zullen huren!
Ik geef er nog geen applaus voor
Je zou in hun zon moeten liggen
Ze zouden je bekogelen met rotte schelpen
Je kunt ze niet oppakken, noch zij jou
Het is een troost, al traan je gas
Iets heel bedorven
Muf gezwets
Je hebt versmaden en ook gelogen
Befaamde beloftes loos ingelost
Vandaag flarden verdraaid
Alle medeklinkers van gisteren verzwikt
Kreupelend naar een onderkomen
Iedereen migreert van tijd tot tijd met spreeuwenpoten
Jouw leest ontsproten
Je hebt durf, dat zeker weten
Je hebt lef, het zijn allemaal waarheden
Spoorbijsterend hebben we je verweten
Een enkele bestemming te prikken
Waar zo veel wegen
Maar ben je vergeten hoe neerslachtig we hier zijn?
Je zou niemand slecht hebben gedaan
Niemand in alarm hebben ‘gebuzz’d’
Als je niet teveel gegeven had om één enkel volk
Het zijn net mensen, jij en ik en wij en zij
Te massief luidruchtig stond jij te hoereren
Als jij te ver gaat
Gaan zij te ver
Zijn wij voorbij te ver geflitst
Aan de paal genageld
‘Chooweldich of nie’
Het is een waarschuwing, zoals jij waarschuwde
Je bent je eigen volgeling en blindgestaard
Te veel hemel boven je schedel
Het was gezellig
Nu flink verzuurd
Meer dan haring
Ongeneeslijk verziekt
Kom op kom op
Snuit de regen, pink je snot, tsunami ween
Kom op kom op
Spoel je spraak
Er is niets meer te beproeven
Niets meer op spel, niets meer op plaat
Niets meer dat klinkt en draait
Jouw smaak leidt tot zaaddoding
In de turbine van de wasmachine
Daar waar nog wat peroxide vicieus cirkelt
Wat plukjes blond
Of niet, misschien
Wat hoopjes licht
Ook voor jou als je bezint en vergeeft
Niet omdat, ik om je geef, maar van je op steek
Niet in de uiterlijke hoedanigheid van een vorige-eeuwse kapsel
Maar als een clipje in mijn gedachten
Gearchiveerd onder: poëzie
Blauw is nu de kleur
Ons begin, de pil die ik in nood wil
Slikken, wat ik vast wil houden
Met brandende koplampen
Hadden we kunnen scheren, lamellen
Antwoorden op het plafond
We kijken naar hoe de wind blaast
Binnen zoveel vlagen zal het, ochtend stillen
Onderwijl hapert nog steeds de verbijstering
Ik wind wat om mijn vingers
Had je mijn roeping kunnen zijn?
Blauw is nu wat afschilfert
Ons horizon, de zee van tijd die ik aftik
Slaat de wens aan in mijn keel
Niet zoek te raken na de mist
Vloeibare muren achter over te klokken
Verteren, wat ik af moet staan
Met huilende ruitenwissers
Hadden we kunnen vegen, gordijnen
Vraagtekens van het parket
We kijken naar hoe de wolken stapelen
Binnen zoveel hopen zal het, avond knagen
Wanneer zijn we nu uitgewerkt?
Gearchiveerd onder: toneel
Eurydice:
Ik spreek in littekens
Wonden gebarend
Niets heelt, alles schroeit
De heuvels van mijn jeugd zijn uitgegroefd
Ik ben het vet uit de leeggezogen kwabben
Ik wikkelmummie mezelf als opengereten lap
Jullie, slagers verkopen me opgenaaldhakt
Zonder te weten wat voor vleesgeworden plastische correctie jullie in de kuip hebben
Er is geknor dat dieper vandaan komt dan mijn maag
Het zijn de krulstaarten waarmee ik flessen ontkurk
Het zijn de rode liters die ik maandelijks opvang met inlegkruisjes
Hier onder tranen, zijn de lege flessen van een gelukzalig varend leven altijd gevuld
Met wimperklevende mascaravinnen
Kraam ik:
Schenk me leeg of pomp me promille
Ik ben een gestikte meisjeskeel
Dichtgenaaid met gouden draad
Splinters in mijn strot die mijn kier versperren
Tegen vruchtbaar verkeer
Geen pulp op petrischaal voor jullie meer!
Jullie brullen me de kooi in
Tot een handje vol pinda’s
Achter vitrinegaas
Ontluikt door mooi-weer filter
Ontwikkel ik spugend slierten negatieven van een wonder dat in lange banen door bevriezing knippersloot
Flitsen scheermesjes in de weer
Jullie steken je ogen uit
Vanaf elk verstelbaar statief
Als jullie dat maar werkelijk deden
Dan zouden jullie weten
Ik kan zelfs verstaan als jullie zwijgen
Ik ben de chloor in de put
De vlek die jullie met schaar uitknippen
Voor jullie nieuwe afdrukken tevoorschijn schieten
Blindgestaard op meervoudig zicht
Mijn rode ogen kunnen door geen enkel fotobewerkingprogramma behandeld worden
Ik duim de tranen weg
En poets mijn tanden weer tot regenboog
Ik ben de plakkerige handen achteraf,
die jullie aflikken met gespleten tongen
Ik ben geen song
Ik ben jullie lyrics niet
Stop dat geneurie
Zo vals en dof klink ik niet
Ik ben levend opgezet met verwilderde kale schedel
Tussen de ontlijfde herten aan de wand
Van jullie hunkering naar handtekeningen
Ik spel niet eens meer juist
Het alfabet is omgeborsteld
Ik loop met lange tranen
Door jullie gevlochten en gestrikt
Ik ben het museum van het fotogenieke zeer
De tentoonstelling voor het generieke vermaakleed
Ik kijk mezelf recht in de ogen aan
Afgestroopt ben ik nu gelei en over tijd
Verzadigd in de spoelbak
Ik ben mezelf haast onbekend